Het bindend studieadvies ligt onder vuur, facultaire honoursprogramma’s staan onder druk aan de Universiteit Utrecht, binnenkort lijkt het mogelijk om een doctorstitel te behalen binnen het hbo, en in Den Haag woedt een fel debat over onderzoeks- en wetenschapsbeleid. Vorige week is er veel gebeurd in academisch Nederland. Traditioneel werd de universiteit gekenmerkt door haar nadruk op theorie, disciplinariteit, intellectuele excellentie, het recht om te promoveren en het vrije debat. Juist die combinatie gaf het wetenschappelijk onderwijs een herkenbaar profiel. Vandaag de dag zien we echter hoe die identiteit langzaam vervaagt.
Dit begint al bij de strategische plannen. “We werken aan een betere wereld” (Universiteit Utrecht) en “Bijdragen aan een gezonde, duurzame en rechtvaardige wereld” (Vrije Universiteit Amsterdam) zijn enkele kernzinnen uit de plannen van universiteiten. Hbo- en mbo-studenten willen echter, ook bijdragen aan een betere wereld. Wat onderscheidt de universiteit dan nog van andere onderwijsniveaus? Deze vraag stel ik mij ook in het licht van andere ontwikkelingen. Neem bijvoorbeeld het honours-onderwijs. Deze verdiepende programma’s waren bedoeld als vrijplaats voor nieuwsgierige en zeer ambitieuze studenten.
Het is een omgeving waar het experiment en interdisciplinair sparren centraal staan. Het is een plek waar studenten vrij bacheloronderzoek kunnen doen, zonder zich te hoeven beperken tot een vooraf vastgestelde topiclijst. Dit zijn allerlei aspecten die de universiteit als kennisinstituut kenmerken. De afgelopen jaren zijn deze programma’s echter steeds vaker ingeperkt, ter discussie gesteld of zelfs geheel verdwenen. Denk daarbij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Radboud Universiteit. Afgelopen week bleek dit opnieuw aan de Universiteit Utrecht, waar de verplichting voor faculteiten om honours aan te bieden is losgelaten vanwege kostenoverwegingen en bredere toegankelijkheid.
Ook andere kenmerken van de universiteit staan onder druk, vaak onder verwijzing naar ‘prestatiedruk’. Denk aan het bindend studieadvies (BSA), onderscheidingen als cum laude en het bredere streven naar excellentie. Juist deze elementen zijn echter uitdrukkingen van ambitie en het stellen van kwalitatieve normen. Eigenschappen die universiteiten juist hun reputatie hebben gegeven. In dat licht past ook het plan om promotietrajecten mogelijk te maken binnen het hbo. Volgens de minister draagt dit bij aan meer gelijkheid tussen hbo en wo. Al deze veranderingen wijzen op de oneindige drang naar nivelleren in het onderwijs, door verschillen te verkleinen, zodat iedereen op een nietszeggende gemiddelde uitkomt. Maar juist dat creëert groter kansenongelijkheid, omdat verschillende mensen als één en hetzelfde type student wordt behandeld en de pluriformiteit aan mensen wordt ondermijnt.
De vraag moet dan ook zijn of gelijkheid hier wel het juiste doel is. Ligt de kracht van ons onderwijssysteem juist niet in die verschillen? De universiteit hoeft niet voor iedereen te zijn. Dat maakt haar niet beter of belangrijker dan andere niveaus. Het hbo en mbo zijn minstens zo waardevol, en in deze tijd misschien zelfs belangrijker. In plaats van alles gelijk te willen trekken, is het zinvoller om te streven naar gelijkwaardigheid. Dat vraagt om dialoog en samenwerking. Daarom zou mijn oproep aan minister Letschert zijn: laat de verschillende onderwijsniveaus elkaar ontmoeten, zodat studenten ervaren hoe zij elkaar aanvullen en samen van waarde zijn voor de samenleving als geheel. Met dit besef voelen mensen minder de druk om per se naar de universiteit te gaan en kiezen zij een onderwijsroute die werkelijk bij hen past. Tegelijk helpt dit om problemen zoals ‘diploma-inflatie’ en ‘opleiding als nieuwe verzuiling’ (Bovens) tegen te gaan, wanneer de groep hogeropgeleiden niet onnodig groeit.
Het is problematisch wanneer de universiteit haar eigen identiteit verliest en haar kenmerken plakt op andere onderwijsniveaus. Dat kan in de eerste plaats de indruk wekken van een zekere arrogantie. Bovendien doet het afbreuk aan het gevoel van uniek zijn bij studenten. Elke onderwijsroute zou iets eigens moeten bieden om trots op te zijn. Het is dan ook van belang dat de universiteit de universiteit blijft, met haar focus op theorie en intellectuele uitdaging. Dat het hbo het hbo blijft, met zijn sterke verbinding met de praktijk en de samenleving. Niet omdat het ene beter is dan het andere, maar omdat juist het verschil de basis vormt voor kwaliteit.
Gepubliceerd op NieuwRechts
Reactie plaatsen
Reacties